Wilma Karels | Patchwork & Quilten

De internationale handel in kostbaar ‘sits’

De Nederlandse quilt in de zeventiende eeuw

Derde deel in de serie over de geschiedenis van de Nederlandse quilt

In het vorige artikel kon u lezen hoe de nieuwe stof ‘sits’ steeds populairder werd in de loop van de zeventiende eeuw. In dit artikel leest u meer over de handel in en de vervaardiging van dit bijzondere product.

Sits als ruilwaar

Men kon niet met goud handelen op de eilanden van Indonesië. Alleen door middel van ruilhandel konden de Nederlanders aan specerijen komen. Vandaar dat men vanuit Holland goud meenam naar India, waar men bedrukte en beschilderde textiel kocht. Deze sitsen kleedjes waren vervolgens de ruilwaar voor de specerijen. India had reeds een lange geschiedenis van sitshandel op het Verre Oosten en zo haakte de VOC daar handig op in. Voor de specerijenhandel van de VOC was sits dus een belangrijk product. Deze ruilhandelmethode werd bedacht door Jan Pieterszoon Coen in 1619. Hij was gouverneur-generaal van de VOC die in Batavia zetelde.

Goed om te bedenken dat de kleedjes die gemaakt waren voor de ruilhandel er anders uitzagen dan de sits die wij kennen in Holland. Voor Indonesië, Thailand, Maleisië en Japan werden speciale motieven en patronen gemaakt, uniek voor elk land. Zulke sitsen, die bestemd waren voor de Aziatische markt, bevinden zich nu onder andere in de collecties van het Tropenmuseum in Amsterdam en het Wereldmuseum in Rotterdam.

Tropenmuseum in Amsterdam

Sits komen naar Europa

De eerste sits die Europa bereikten, waren de exemplaren die in 1613 in Londen arriveerden. In eerste instantie ging het om particuliere handel van bemanning. De kapiteins, stuurlieden en andere leden van de bemanning kochten zelf stoffen in en verkochten deze op de markt in Holland als extra bijverdienste. De Amsterdamse schrijver Gerbrand Adriaensz Bredero schrijft in 1617 in zijn toneelstuk Moortje over een sitsen mannenjas. Hij beschrijft dat de stof kan worden opgerold of gevouwen, zonder dat de stof barst of lelijk wordt. Mede dankzij deze eigenschappen werd de sits steeds populairder.

Hollandse patronen

Het is niet bekend wanneer het eerste stuk sits naar Holland kwam. Wel weten we dat kostbare Indiase sitsen spreien en doorgestikte dekens steeds gewoner werden in de inboedels in de Noordelijke Nederlanden. De VOC-archieven zijn een belangrijke bron bij het onderzoek naar de handel en het gebruik van Indiase sits. Er staat vermeld dat rond 1664 de eerste ontwerpen werden meegeven om patronen te maken die de Hollanders graag zagen. Deze ontwerpen zijn verloren gegaan, omdat ze in India achterbleven bij de sitsmakers. Hollanders waren de belangrijkste opdrachtgevers en afnemers van Indo-Europese sits, zoals de Indiase sits werden genoemd die aangepast werden aan de Europese smaak.

De Amsterdamse Courant

Advertenties van sits in de Amsterdamse Courant geven ons meer informatie over de sitshandel in Holland. Sitsen en sitsen dekens worden geregeld genoemd, zowel in de lijsten van de VOC-scheepsladingen als bij verkopingen van inboedels of uitverkoop van winkels. De Amsterdamse Courant beval veel informatie over de textielindustrie en de handel in textiel. Niet alle genoemde stoffen zijn echter te herleiden. Ook zijn benamingen van sits niet meer in verband te brengen met de sitsen die we nu kennen van de collecties in musea.

Voorpagina van een Amsterdamse Courant

 Wat is een sits precies?

Het woord sits is waarschijnlijk afkomstig van het niet-arische woord ‘chitta’, wat gevlekte, gespikkelde stof betekent. Sommige vroege sitsen hadden een gevlekte achtergrond. De oudste sitsen zijn gevonden in Fustat (Egypte) en gedateerd rond 895, 1265 en 1340. Er was dus al handel vanuit India in sits op het gebied rond de Rode Zee in deze vroege periode.

Hoe werd sits gemaakt?

Sits werd gemaakt met een beitstechniek en een reserve-techniek op een ondergrond van fijn geweven katoen. De beits werd met een bamboe pen op de stof aangebracht. Ondergedompeld in het verfbad werd alleen de stof geverfd waar de beits op de katoen was aangebracht. De beits vormde dus de verbinding tussen de textielvezel en de verfstof. De reserve-techniek werkt precies andersom. Dan werd er een mengsel van rijstwater en gom aangebracht op de plekken waar de stof niet gekleurd moest worden. Omdat voor blauwverven met indigo geen beits nodig was, werden alle delen die niet blauw geverfd moesten worden, afgedekt. Vervolgens werd de stof in een kuip ondergedompeld. Beide methoden werden na elkaar gebruikt om de kleurige sits te maken. Na elke verfbehandeling werd de stof gewassen en gespoeld. Zo kon men in fases meerkleurige stoffen maken door steeds andere delen wel of niet te verven of af te dekken.

Vervaardiging van sits in detail

Het vervaardigen van sits was een arbeidsintensief proces. Het kon maanden duren voordat de katoen voldoende was voorbewerkt om geverfd te worden. Pieter van Dam, advocaat van de VOC, legde dit proces vast in opdracht van de Heren XVII. Hij beschrijft dat de katoen werd voorbewerkt met een tanninehoudend middel in een hete vloeistof. Na het afkoelen werd de katoen met knuppels geslagen, daarna gespoeld en vervolgens gedroogd. Hierna behandelde de sitsmakers de stof met buffelmelk en myrobalan. De zon zette vervolgens het melkvet om in vetzuren, die de stof toegankelijk maakten voor het opnemen van verf. Pas in de twintigste eeuw werd de werking van dit chemische proces begrepen.

Motieven aanbrengen

Na de laatste behandeling met rijstwater was de stof klaar om er motieven op aan te brengen. Dit deden de sitsmakers uit de losse pols of aan de hand van een patroon. Het patroon kon worden aangebracht door het doorstuiven van een stevig papier waarop het patroon met gaatjes was geprikt. Met gekleurd poeder, zoals houtskool, werden de gaatjes bestoven, zodat de tekening door de gaatjes op de stof kwam. De eerste lijnen werden dan overgetekend met een inktachtige substantie. Deze zwarte contouren bleven altijd te zien. Soms werd er ook direct op de stof getekend of geschilderd met ijzernat, een oplosbaar ijzerzout. De voorbewerkte stof maakte dan een chemische verbinding met zwarte houdbare lijnen als resultaat. De meeste sitsen voor de Hollandse markt waren handbeschilderd. Sitsen voor Thailand, Japan, Indonesië en Birma werden juist meestal met blokken gedrukt.

Van zwart naar rood

Na het zwart werd rood aangebracht. Alles wat rood moest worden, werd met aluinbeits (kalium aluminiumsulfaat) beschilderd. Door de beits een keer of juist meerdere keren aan te brengen, creëerden de sitsmakers verschillende tinten rood. De delen die niet rood moesten worden, werden afgedekt met was. Na enkele behandelingen ging de stof in een verfbad van saya wera-wortels. Op de plaatsen waar de beits was aangebracht, verschenen rode figuren. Ook de zwarte lijnen kregen door dit bad een diepere kleur. De delen die niet rood moesten worden, kregen een gelige kleur. Later moest die gelige kleur uit de stof worden gebleekt door de zon. Sitsmakers mengden aluin en ijzerzout en konden zo alle nuances van rood tot paars maken.

De handelingen die bij het proces horen van het vervaardigen van sits, werden niet door dezelfde persoon uitgevoerd. Er waren verschillende groepen mensen voor de verschillende handelingen. Iedere kleur werd bijvoorbeeld geverfd door een andere groep. En degenen die wasten, spoelden en bleekten, behoorden ook tot een aparte groep. Een stuk sits ging dus door vele handen.

De kleurstof indigo

Verven met indigo

Na een uitgebreide was-, spoel-, bleek- en droogbeurt werd de stof klaargemaakt voor het indigobad. Alles wat niet blauw of groen moest worden of rood moest blijven in het patroon van de stof, werd afgedekt met was of pap. Daarna werd het hele stuk voorzichtig tot een pakketje gevouwen. Het verven met indigo is een ingewikkeld proces. De verfstof moet van een vaste materie in een oplosbare verbinding worden omgezet. Dit bereikten de sitsmakers door rotting; ze voegden bladeren en gegist rijstwater toe aan indigo, zodat het gefermenteerde blauwe indigopoeder oploste en veranderde in een gele vloeistof. Als men dan de gevouwen katoen in de geel geworden verfkuip dompelde, hechtten de verfdelen zich aan de vezels van de stof. Als de lap vervolgens weer uit de verfkuip komt en in contact komt met zuurstof, wordt de indigo weer omgezet in de kleur blauw. Vervolgens werd de stof opnieuw gewassen en gespoeld om alle was te verwijderen.

Geel toevoegen

De sits werden door alle wasbeurten steeds helderder, voller en dieper van kleur. De katoen had nu de tinten rood, paars, lila, blauw en zwart. Om de laatste kleur, het geel, toe te voegen werd de stof plaatselijk geschilderd met curcuma. Om groen te krijgen, kon deze verfstof over het blauw geverfd worden. De gele verfstof curcuma was echter wel uitwasbaar. Sits die nu dus nog geel zijn, zijn waarschijnlijk nooit gewassen. Als de sits wel gewassen zou zijn, zou de sits voornamelijk rood-blauw van kleur zijn, eventueel aangevuld met paars en lila.

Nabewerking

De sitsen stof is nu bijna klaar. Slechts de nabewerking rest nog: het stijven en glanzen met rijstwater waardoor de stof vuilafstotend wordt en een mooie glans krijgt. Ook voor de glans geldt dat het uitwasbaar is. Sitsen die dus nog een glans hebben, zijn nooit gewassen of zijn behandeld door een wasinrichting. Een wasinrichting kon de glans namelijk weer teruggeven aan de sits door het gebruik van rijststijfsel.

Terug naar overzicht