Wilma Karels | Patchwork & Quilten

Hoe de lappendeken de Nederlandse huiskamer verovert

De Nederlandse quilt in de zeventiende eeuw

Vierde deel in de serie over de geschiedenis van de Nederlandse quilt

Nu u weet hoe sits werd gemaakt en verhandeld, is het interessant om te zien hoe de populaire stofsoort haar intrede deed in de huiskamers. Wie gebruikten of droegen welke producten van sits? En wat ontdekken we over sits in de poppenhuizen van toen?

Sits in het interieur

De import van sitsen dekens en stoffen uit India door de VOC heeft grote invloed gehad op de ontwikkeling van de Nederlandse quilt. Door de sitsen die bewaard zijn gebleven is het nu goed te begrijpen wat deze bijzondere stoffen teweeg hebben gebracht in de toenmalige Nederlanden. De Indiase sits speelde bijvoorbeeld een grote rol als statussymbool in de interieurs en op de bedden van de rijken. Vaak stonden de bedden in de kamer en werd bezoek op bed ontvangen. De welgestelde burgers pronkten dan graag met hun prachtige sitsen. De een had alleen een deken of sprei, anderen hadden een heel set, inclusief sitsen bedgordijnen.

Op het schilderij ‘De Kraamkamer’ dat rond 1700 is geschilderd door Matthijs Naiveu is deze status terug te zien. op de wieg ligt een sitsen doorgestikt dekentje met daaroverheen een linnen batisten kleed.

De Kraamkamer, door Matthijs Naiveu

Uit de eerste helft van de zeventiende eeuw is niet veel sits overgebleven. Dit heeft alles te maken met de kleine hoeveelheden die toentertijd werden aangevoerd. Wat wel bewaard is gebleven, is een sitsen dekentje van de kinderkamer van het poppenhuis van Petronella Dunois. Het is gemaakt van een fragment van een doorgestikte rok of sitsen quilt. Het is naar alle waarschijnlijkheid het enig overgebleven gequilte zeventiende-eeuwse sitsen stuk uit Holland.

‘Stuur ons zo veel mogelijk!’

Dat sits tot in de negentiende eeuw een belangrijke rol zou spelen, was nog onbekend. De eerste stukken sits die de bemanning van de VOC-schepen meebrachten, zetten de textielwereld op de kop. Men was ongelofelijk enthousiast over de sits en kon er geen genoeg van krijgen. In brieven aan de handelsposten in India schreven Hollanders dan ook: ‘Stuur ons zo veel mogelijk, wij zijn er zo dol op, het is nooit genoeg!’

De sits-import in West-Europa werd een van de belangrijkste oorzaken van een totale omslag in de textielindustrie en het gebruik van stoffen. Uiteindelijk zouden de tot dan toe normaal voorkomende zijden doorgestikte dekens zelfs helemaal verdwijnen. Katoen was niet meer weg te denken uit het dagelijks leven van de adel en de welgestelde burgers. Dekens werden met tienduizenden tegelijkertijd verscheept naar ons land.

Ontstaan lappendekens

De katoenen sits nam de markt totaal over door het veelvuldige gebruik van Indiase dekens en spreien in de Hollandse huishoudens. Het gebruik van katoenen Indiase sits voor huishoudtextiel, bedgordijnen, slopen en kleding heeft de aanvoer ervan gestimuleerd en uiteindelijk maakte deze ontwikkeling het ontstaan mogelijk van lappendekens en lapjeswerk.

Sitsen kleding

Op de wollen vloertapijten die na 1670 in Nederland gebruikt werden, legde men meestal overkleden of morskleden ter bescherming tegen slijtage en vuil. Deze overkleden konden van een effen katoen of linnen zijn, maar ook van sits. Dergelijke sitsen werden bijvoorbeeld genoemd in inboedels. Op een gegeven moment is men deze sitsen overkleden gaan gebruiken voor het maken van kleding. In eerste instantie werd dit niet serieus genomen, maar snel was het een trend en droegen vrouwen sitsen japonnen die gemaakt waren van hun vroegere sitsen vloerkleden.

Het is niet te zeggen of er van deze rage echte stukken bewaard zijn gebleven. Het Fries Museum heeft een zogenaamd vrouwenjak uit de achttiende eeuw dat is gemaakt van zeventiende-eeuwse sits. Maar of dat jak eerst als vloerkleed heeft gediend? In Holland genoot men in deze tijden van de rijkdom van de prachtige stoffen. De stoffen werden gebruikt voor interieurs, beddengoed, gebruiksgoed, kleding en babygoed.

Het sitsen vrouwenjak uit het Fries Museum

Poppenhuizen

De nog bestaande zeventiende-eeuwse Nederlandse poppenhuizen vormen een mooie aanvulling op de andere bronnen wat betreft het textielgebruik in de zeventiende eeuw. De poppenhuizen zijn namelijk en afspiegeling van de huizen van gegoede families, zoals we die ook op schilderijen hebben gezien. De interieurs van de poppenhuizen komen overeen met beschreven boedelinventarissen en geven daarom een betrouwbaar beeld. Hele inventarissen werden nauwkeurig nagemaakt in miniatuur. Ze geven ons nu een goed inzicht in hoe dergelijke Hollandse huishoudens eruit hebben gezien.

Verschillende poppenhuizen zijn in de loop der tijd bestudeerd, waaronder het poppenhuis van Petronella de la Court in het Centraal Museum te Utrecht en van Petronella Oortman en Petronella Dunois in het Rijksmuseum.

Het oudste doorgestikte dekentje zou het dekentje kunnen zijn uit de kinderkamer van het huis van Petronella de la Court. Het dekentje is aan de voorzijde gemaakt van gestreepte bedrukte katoen en het heeft een rode katoenen voering. Het dekentje van 25 bij 18 centimeter is doorgestikt. Het doorstikwerk komt overeen met de dekentjes die op Marken gevonden zijn en andere sitsen dekens. In de provisiekamer van hetzelfde peppenhuis in Utrecht bevindt zich in de vaste bedstede ook een doorgestikte deken met een bovenzijde van gebloemde Indiase sits. Dit dekentje is gevoerd met crèmekleurige zijde.

Het poppenhuis van Petronella Oortman

In de kinderkamer van het poppenhuis van Petronella Oortman liggen sitsen dekens op de wieg en het hemelbed. In het hemelbed in de kinderkamer van Petronella Dunois ligt ook een doorgestikte deken met een katoenen sitsen middenstuk. Om dat middenstuk is aan de bovenkant een rand gemaakt en het is gevoerd met gele zijde. Voor dit dekentje geldt ook dat het in de rechthoeken is doorgestikt, meegaand met de vorm van de deken. Het dekentje dat op de wieg ligt in de kraamkamer van het poppenhuis van Petronella Dunois is gevuld met katoenpluksel en doorgestikt met zijden garen in kleine schuine ruiten.

Naast deze kleine dekentjes uit de poppenhuizen zijn er nauwelijks quilts uit de zeventiende eeuw bewaard gebleven.

Kleding in de zeventiende eeuw

Het ligt voor de hand dat men in de zeventiende eeuw ook interesse begon te krijgen voor doorgestikte kleding. Als men makkelijk wasbare en warme kleding wilde, was dat snel voor elkaar met twee lagen linnen en een vulling van katoenpluksel of gekaarde wol. Tot nu toe is er geen wollen doorgestikte kleding uit de zeventiende eeuw teruggevonden. Wel zijn er in Nederland doorgestikte zijden kledingstukken bewaard gebleven.

Een van die bewaarde zijden kledingstukken is een babyjasje van naturelkleurige zijde met bloemetjes gequilt met geelzijden garen. Dit kledingstuk is onderdeel van een particuliere collectie. Kleine bloementakjes op het fijne zijden satijn vallen op. Het jasje is in bijzonder goede staat, ondanks het feit dat het jasje wordt gedateerd rond het jaar 1675. De manier waarop de bloemenrandjes zijn geborduurd, is te vergelijken met de bloemenranden van de eerder genoemde dekens uit de poppenhuizen.

Bewaarde kledingstukken in Nederland

In het Groninger Museum wordt een zijden gequilte vrouwenjas bewaard. Dit kledingstuk is rijk versierd met lijnen, krullen en bloementakjes op een naturelkleurige satijn zijden ondergrond. Met verschillende kleuren zijden garen is dit geborduurd. Het Fries Museum heeft zeventiende-eeuwse doorgestikte linnen vrouwenjassen, met een vergelijkbaar krullend patroon en bloementakjes.

Fries Museum

Het Nederlands Openluchtmuseum heeft drie Hollandse vrouwenmutsen in haar bezit uit 1675-1700. De mutsen hebben een tussenvulling van katoenpluksel en ze zijn met linnen garen in een bloemenpatroon doorgestikt. Opvallend is dat twee van de drie mutsen zijn doorgestikt met een dubbele, heen en weer gaande lijn, zodat aan allebei de kanten een stiksteek te zien is. Een van de mutsen heeft rondom een zes centimeter brede bloemenrond. Beide mutsen hebben aan weerszijden van het gezicht grote flappen en een bol die achterop het hoofd om de haarwrong past. Een leuk detail is dat bij beide mutsen de potloodlijnen van de doorstiktekening nog te zien zijn. Vandaar dat we mogen concluderen dat deze kledingstukken nauwelijks gewassen zijn.

Het is waarschijnlijk dat het met de gestikte kleding net zo vergaan is als met de gestikte dekens. Daarom is het opmerkelijk dat er Hollandse stukken bestaan van dit zeldzame zeventiende-eeuwse doorstik- en borduurwerk. In buurlanden van Holland zijn er nauwelijks vergelijkbare stukken te vinden.

Hollandse katoendruk

In de poppenhuizen is er naast sits ook katoendruk te vinden van waarschijnlijk eigen Hollandse bodem. In het poppenhuis van Petronella de la Court vinden we bijvoorbeeld de doorgestikte gebloemde deken op de bedstee van de kinderkamer, de bedrukte bedsteegordijntjes in de meidenkamer en het bedrukte gestreepte quiltje op het paviljoenbed.

In de Warmoesstraat in Amsterdam waren verschillende stoffenwinkels waar Europese en Oosterse katoendrukken te koop waren rond 1676. We weten dat de echtgenoten van de dames De la Court en Oortman textielhandelaars waren. De katoendrukkerij is in en rond de hoofdstad een vrij uitgebreide tak van nijverheid geweest. Amsterdam had de infrastructuur die nodig was voor de aanvoer van grondstoffen, zoals katoen, verfstoffen en turf. Vandaar dat katoendrukkerijen in een stedelijke omgeving ontstonden en niet op het platteland. Ook Rotterdam en Amersfoort speelden een rol in dit vroege stadium van de ontwikkeling van katoendruk in Holland.

Amsterdam, de ideale locatie

Vanwaar deze ontwikkeling? Indiase sits werd in de tweede helft van de zeventiende eeuw steeds populairder. Ondanks de groeiende import uit India konden de kooplieden nauwelijks aan de vraag voldoen. Amsterdam werd hoe langer hoe meer de belangrijkste import- en marktplaats voor sitsen. Alle benodigdheden werden in de haven aangevoerd: van verfstoffen tot effen katoenen stof. In Amsterdam was genoeg stromend schoon water, wat nodig was om de stoffen te wassen en uit de koken, de verfbaden aan te maken en het vervuilde water in te lozen. Turf was nodig om het water en de verfstoffen op de juiste temperatuur te brengen en de stoffen na het verven weer uit te koken.

Katoendrukkers aan het werk

Katoendrukkers

Mannen bedrukten de effen katoenen stoffen met blokken en vrouwen kleurden de stoffen met de hand in. Voor drukkers was er weinig verschil tussen het bedrukken van katoen of papier. Langzaam maar zeker werd de Hollandse katoendrukkerij bijna een concurrent van de Indiase sits. Deze stoffen werden naast elkaar verkocht in winkels. Toch ging deze bloeiende lokale nijverheid ook weer snel achteruit. In Frankrijk en Engeland werden wetten geïntroduceerd die het verboden om Indiase sits te kopen, verkopen, dragen of gebruiken. Ook Europese katoendruk uit het buitenland werd bij wet verboden, zodat Amsterdam niet meer naar Frankrijk en Engeland kon exporteren. Deze landen wilden zich geheel richten op de eigen productie van textiel en zo de eigen inkomsten vergroten, passend bij het mercantilisme.

Een andere reden waarom de Amsterdamse katoendruk een korte bloeiperiode kende, was het veranderende modebeeld in de zeventiende eeuw. Uiteindelijk liep de productie in de achttiende eeuw terug. Hoe het de Nederlandse quilts verder verging in de achttiende eeuw, leest u in het volgende deel van de serie.

Terug naar overzicht